Recent onderzoek suggereert dat de evolutie van grote hersenen bij octopussen en andere koppotigen mogelijk meer wordt bepaald door de complexiteit van de omgeving dan door sociale interactie. Decennia lang heeft de ‘sociale hersenhypothese’ het denken over de hersengrootte bij dieren gedomineerd: het idee dat grotere hersenen zijn geëvolueerd om complexe sociale levens te beheren, een trend die wordt waargenomen bij primaten, dolfijnen en zelfs kamelen. Maar koppotigen – octopussen, inktvissen en inktvissen – vormen een raadsel: ze vertonen een hoge intelligentie ondanks een grotendeels eenzame levensstijl met minimaal sociaal leren of ouderlijke zorg.
Een nieuwe studie onder leiding van Michael Muthukrishna van de London School of Economics analyseerde hersengegevens van 79 soorten koppotigen. De onderzoekers vonden geen verband tussen hersengrootte en sociaal gedrag. In plaats daarvan werden consequent grotere hersenen waargenomen bij soorten die in ondiepere omgevingen op de zeebodem leven, waar een grotere overvloed aan objecten, potentiële gereedschappen en calorierijke voedselbronnen bestaat. Koppotigen uit de diepere zee, die in een karakterloze omgeving leven, hebben doorgaans kleinere hersenen. Dit suggereert dat ecologische eisen – de noodzaak om door een complexe omgeving te navigeren en diverse hulpbronnen te exploiteren – de belangrijkste motor kunnen zijn van de evolutie van de hersenen van koppotigen.
De bevindingen zijn voorzichtig, aangezien hersengegevens beschikbaar zijn voor slechts ongeveer 10% van de 800 soorten koppotigen. Maar deze trend komt overeen met breder bewijs dat suggereert dat grote hersenen niet alleen verband houden met socialiteit. Robin Dunbar, grondlegger van de sociale hersenhypothese, erkent dat de afwezigheid van sociale structuren bij octopussen betekent dat hun hersenen niet met dezelfde cognitieve druk worden geconfronteerd. Paul Katz van de Universiteit van Massachusetts Amherst stelt dat diepzeeomgevingen kunnen selecteren op kleinere hersenen, vergelijkbaar met hoe eilandsoorten de neiging hebben om kleinere lichaamsgroottes te ontwikkelen.
Muthukrishna’s eerdere werk over walvissen en dolfijnen toonde ook aan dat de hersengrootte correleert met zowel sociale complexiteit als ecologische factoren. Dit ondersteunt zijn ‘culturele hersenhypothese’, die stelt dat naast sociale druk ook ecologische en informatieve druk de ontwikkeling van de hersenen bepaalt. Het feit dat koppotigen, die in de verte verwant zijn aan gewervelde dieren, een soortgelijk patroon vertonen, versterkt dit idee.
Uiteindelijk onderstreept de studie dat de evolutie van grote hersenen een proces met vele facetten is. Hoewel bij sommige soorten socialiteit een rol kan spelen, lijken de complexiteit van het milieu en de beschikbaarheid van hulpbronnen bij andere soorten de belangrijkste drijfveren te zijn. Er moet ook worden voldaan aan de energiebehoefte van een groter brein, zoals Dunbar opmerkt: “Je kunt de omvang van je hersenen niet vergroten tenzij je het energieprobleem oplost.” Het voorbeeld van de koppotigen suggereert dat zodra een groot brein eenmaal is gevestigd, het kan worden hergebruikt voor verschillende cognitieve taken, inclusief taken die geen verband houden met sociale interactie.





















